| Confrontatie en ervaring met de dood en hoe
belangrijk het maken van ruimte voor dit gegeven is. We gaan het
gezellig met elkaar over de dood hebben en ik zal daar wat opzetjes
voor geven, zodat u een beetje snapt hoe dat bij mij zit en dan
kunt u d.m.v. vragen straks iets teruggeven en dan kunnen we daar
nog over praten. Ik heb nog nagedacht, hoe ik de avond precies zou
indelen en hoe ik het zou doen. Mijn plan was om eerst een
inleiding van onge veer drie kwartier te houden en dan pauze en dan
nog wat met mijn boekje te doen, maar het ging uiteindelijk om dit
boekje "Liever gewoon dood". Dus, omdat we nog maar zo'n drie
kwartier hebben totdat de pauze begint, wou ik dat maar wat in
elkaar schuiven en dan zien hoe we met uw vragen straks nog details
daaruit kunnen uitvergroten.
Ik wou beginnen met een foto te laten zien. Dat is een foto die
ik, ik denk al 15 jaar, in mijn bezit heb en die ik gekregen heb
van de weduwe van de man die in dit bed ligt. Ik zal hem hier
neerzetten. U moet er maar eens even rustig naar kijken, want voor
mij heeft deze foto een heel bijzondere kwaliteit. Je ziet hier een
oude meneer, op een ziekenhuisbed, maar hij ligt in zijn eigen
slaapkamer, met op zijn buik een klein baby'tje. Als je goed kijkt
zit er een soort stilte in de foto. Een stilte die door hen beide
gedragen wordt. Maar, van twee kanten van het leven: hij kijkt een
beetje voor zich uit, hij heeft alles gezien, is bezig met
afronden, loslaten. Het kindje weet nog van niets, ligt met de ogen
dicht, helemaal ontspannen en weet niet eens dat, dat zijn
grootvader is. En het bijzondere van die foto is, dat die genomen
is een week voor zijn overlijden. Hij was al een half jaar
terminaal en iedere keer dachten we dat hij zou overlijden en dan
kwam hij weer terug. En in dat half jaar, iets langer, was zijn
dochter zwanger van dit kind. En zij heeft het gevoel dat hij erop
gewacht heeft, want haar zoontje is drie weken te vroeg geboren.
Dus als hij op tijd was geboren, hadden ze elkaar gemist, bij wijze
van spreken, of had hij nog langer moeten wachten. In
één foto het begin en het einde van het leven.
Prachtig! Daarover nadenkend zat ik me te bedenken, dat we toch met
die twee, laten we zeggen ingang en uitgang, open deuren, we gaan
allemaal dood, we zijn allemaal geboren, heel verschillend omgaan.
In die zin, je zou kunnen zeggen in een schemaatje: het begin van
het leven, het eind van het leven. Je zou kunnen zeggen bij een
zwangerschap komt het niet tastbare of ziel samen met het tastbare,
materie, zwangerschap, geboorte en bij het stervensproces gaan die
twee weer uit elkaar. En dan zeggen wij bij de begrafenis met
Engelse woorden: earth to earth, ashes to ashes, dust to dust.
M.a.w. we zijn er goed in om deze kant, het nieuwe leven, van het
geheel te benadrukken en hier, het oude leven, weten we eigenlijk
niet zo goed raad mee. Natuurlijk hebben allerlei geloofssystemen
daar iets over te zeggen, maar op de een of andere manier heeft dat
niet echte werkelijkheidswaarde voor de meeste van ons gekregen en
weten we niet goed wat we ermee moeten en blijven we dus zitten met
het lijk, zal ik maar zeggen. En dat ziet er eng uit. Er is een
heleboel niet meer. Het is verdrietig, we moeten afscheid nemen.
Terwijl aan de andere kant van het leven, het baby'tje, we niet
kunnen wachten om ons ermee te bemoeien en het aan te raken, mee te
brabbelen, te bewegen, te meten. We zijn in blijde verwachting. Dat
is echt iets waar we ruim voor open kunnen staan, want daar ligt
het accent vooral op het tastbare, het beetpakken, het ruiken. Bij
de oude man ligt het accent eigenlijk op het sterven. We benoemen
het niet en we blijven hiermee zitten. Dat rare verwrongen beeld
vanwege een sterfte dragen wij al enkele generaties met ons mee.
Dat is niet altijd zo geweest. Het begin van de vorige eeuw, toen
we kinderen doopten en het nog gewoon was dat je je ouders in huis
nam, was de dood iets waar iedereen mee te maken kreeg en waar je
je op de een of andere manier mee moest verhouden. Maar, door de
toenemende mogelijkheden van de zorg, is het steeds verder van ons
af geplaatst. Aanvankelijk onder de verwachting dat de zorg daar
wel een oplossing voor zou weten te vinden. Allerlei ziektes die
vroeger nog niet eens benoemd werden, bleken behandelbaar te zijn
en er kwam een soort optimisme in onze cultuur, van wacht maar,
straks is ook mijn kwaal die ik ooit zal krijgen, behandelbaar. Er
zijn hele rijke Amerikanen die zich hebben laten diepvriezen,
vanuit het idee: kijk dan blijf ik net zo lang bevroren totdat de
oplossing er is. Zo´n vasthouden aan het tastbare en het
hopen op het begrijpbare, hebben wij meegekregen in onze cultuur.
Maar, het heeft ons met betrekkelijk lege handen naar het eind van
het leven doen kijken. Toch wil ik een paar van die modellen aan u
laten zien, die, vind ik, helder zijn. Je kunt ook op een andere
manier naar het leven kijken. Dit is dus eigenlijk het leven: ziel,
stof, geboorte - dood, ziel stof. Je zou kunnen zeggen, we bewegen
ons tussen die twee polen in. Het is misschien wel de
oertegenstelling van het leven: het tastbare en het niet tastbare.
In een psychologisch model zou je kunnen zeggen: aan de onderkant
van deze cirkel van het leven bewegen zich de pragmatici en aan de
bovenkant de mystici. Ik zal het nog een keer zeggen: twee polen,
het zielsniveau en laten we zeggen het stoffelijke niveau, het
niet-tastbare en het tastbare, in het model van het leven en dat is
dan een cirkel in dit geval, zou je die kunnen vertalen met de
bovenkant en de onderkant, de mystici en de pragmatici. En, onze
eigen levensloop, die heel uniek is en die niemand ons nadoet,
loopt daar tussendoor en wordt bepaald door aanleg, door ervaring,
door dingen die we tegenkomen en wat we daarmee doen en kunnen
doen, de mogelijkheden die we krijgen van onze omgeving en van
onszelf, om er iets mee te doen.
Dat leidt tot een model dat ik zo zou willen uitleggen. Uitgaande
van wat hiervoor is, d.w.z. `niks`, is de geboorte weer te geven
als een stip, die langzamerhand zijn plek gaat innemen. Die zich
verbonden heeft met de ziel, materie en die tot een levend
organisme is geworden. In eerste instantie zou je kunnen zeggen,
zal dat kind - als het al een bewustzijn heeft - een
éénheidsbewustzijn hebben: nog geen onderscheid
kunnen maken tussen wat dan ook. En dan komt de moeder, die voor
het baby'tje gaat zorgen, die het eten en drinken geeft, die het
aanraakt, die warmte kan geven, die veiligheid kan geven. Allemaal
kan, en dat doen we zo goed mogelijk. Maar, er gebeuren wel eens
dingen minder goed. Maar, hoe dan ook, er ontstaat een soort wij.
Hoewel, ik en moeder in eerste instantie hetzelfde is. Je bent denk
ik als vroeg geboren kind nog in een soort symbiose met alles, dus
ook met moeder. Maar, wat daarbij hoort, is dat die twee op de een
of andere manier een soort taal met elkaar krijgen. Die gaan zich
op elkaar richten, die gaan elkaar begrijpen. Die gaan een relatie
krijgen met elkaar. Dan komt er een volgende laag bij, dat zijn de
andere gezinsleden, die allemaal weer anders zijn, waar je op een
andere manier een andere taal, of misschien een beetje verwante
taal mee moet leren spreken. Dat doe je vanzelf, want je wilt het
graag naar je zin hebben en dus passen beiden en zeker in die
situatie, de intieme thuissituatie, zich zoveel mogelijk aan elkaar
aan. Dan volgt de laag van de school, eigen taal, het werk, eigen
taal. Allemaal taal in relatie tot verwachtingen. Je wilt het naar
je zin hebben, dus je past je aan aan wat hier gewoon is. De
sociale laag, de wereld en je verhouding tot wat groter is dan dat.
Kortom, je ontwikkelt een aantal vaardigheden, meer of minder,
completer en goed, waarmee je je in al die fases weet te handhaven,
je veilig voelt en je kunt ontspannen. Dat gebeurt niet vanzelf.
Over het algemeen ontstaat zo'n taal door confrontaties. Door
confrontaties met het verschil. Je komt iets tegen, je wilt iets,
je merkt dat het niet vanzelf gaat, je moet er iets voor doen, je
past je aan en zo ontwikkel je die taal. Van huilen als je een
natte luier hebt en snappen dat als je dat doet, dat moeder dan
komt en dat het dan allemaal goed komt tot het dragen van een
driedelig pak als je naar een belangrijke vergadering gaat, waar
iets van afhangt voor jezelf. Kortom, je bouwt daarmee, zou je
kunnen zeggen, de lagen van je persoonlijkheid op. En wij zeggen
dan: ik ben nu eenmaal zo. Want dat zijn dingen die jarenlang
meegaan, langzamerhand worden opgebouwd en bij je gaan horen. Je
denkt, zo is het nu eenmaal. Gelukkig is dat niet waar. Alleen de
dingen waar je last van hebt gekregen, gewoonten, patronen die je
hebt ontwikkeld, met diepe wortels in je verleden, zijn heel
moeilijk te veranderen. Het zijn automatismen geworden, zitten vaak
verankerd in je onbewuste, daar kan je kan daar niet meer zo goed
bij, je snapt niet meer hoe dat werkt. Dus, daar is echt iets voor
nodig om daar weer bij te kunnen komen en dat, zou je kunnen
zeggen, doet de crisis voor ons. Crisis is als een soort
blikseminslag, - die taal spreken we niet - waar we ons niet tegen
kunnen wapenen, die ons in de kern raakt. Die als het ware door
onze beschermende lagen heen breekt en de hele boel op zijn kop
zet. Het werkt niet meer zoals het daarvoor werkte. Dat is
buitengewoon vervelend, want iedereen wil graag zo veel mogelijk in
balans zijn. Je mag dan wel eens een uitstapje maken naar het een
of ander, maar dat moet dan vaak toch ook vanuit een gevoel: ik kom
hier weer terug, het komt allemaal goed. Bijvoorbeeld op vakantie
naar het buitenland, er is nog een thuis, waar ik naar terug kan en
al die dingen meer. Maar, bij een crisis is dat niet meer zo, die
veiligheid is helemaal weg en je wordt werkelijk in je kern, zoals
ik zei, geraakt. In het Chinees is het teken voor crisis ook het
teken voor kans, want je zou kunnen zeggen - dat is ook wat de
crisis ons biedt. Doordat hij door al die lagen heen breekt, komen
we fundamenteel weer in beweging, we moeten wel. In eerste
instantie probeer je de gaten te dichten, maar, dat kan niet meer.
Een echte crisis staat je dat niet meer toe. Daar moet je opnieuw
bij gaan kijken. Dat lijkt een beetje abstract zo, maar ik zal daar
mijn eigen dingetjes naast leggen, zodat het mijn kleur in ieder
geval krijgt. En misschien kunt u zich daarin herkennen. Het een en
ander daarvan heb ik in die boekjes beschreven. Dus, als u het echt
wilt, kunt het daarin nog een keer nalezen.
Mijn voorgeschiedenis is dat ik in een veilig gezin ben
opgegroeid. Een moeder die de kinde-ren tot 12 jaar heel goed
aankon. Daarna ging het niet meer. Als ze in de puberteit raakten,
dan haakte ze af, dat kon ze niet meemaken, maar die eerste twaalf
jaar hebben bij mij in ieder geval een bodem gelegd, waar ik mijn
leven lang dankbaar voor ben. Een moeder die thuis was, zes
kinderen, ik was de oudste zoon. Waar je bij op schoot kon zitten,
die als je uit het klimtouw gevallen was, je met natte washandjes
weer wist op te lappen. Natuurlijk een moeder met meer facetten. Ze
was ook buitengewoon emotioneel. Ze kon met zes kinderen af en toe
geheel door het lint gaan. En dat heeft mij ook geleerd dat je een
beetje voorzichtig moet zijn met emotie omdat als je dat toeliet er
dan van alles kon gebeuren. En dat was de boodschap die ik ook van
haar oppikte. En op een gegeven moment op een hele bijzondere
manier, ik had nooit gedacht dat dat zo lang zou duren, maar het is
wel zo. Toen ik 15 was had ik nog dromen waarin dat beeld steeds
weer terug kwam. Toen ik een jaar of 3, 4 was, 3 denk ik, op het
toppunt van gezelligheid, stond ik met haar in de keuken, zij was
vlees aan het braden - dat deed ze dan voor de hele week - en dan
kreeg ik van haar een hard gebraden randje, dat was een soort
lekkernij. Mijn moeder was gezellig aan het zingen en ik was
gezellig aan het kijken, toen mijn oudere zusje, die al op de
kleuterschool zat, thuis was wilde zij ook op die stoel en dus trok
ze mij aan mijn arm en ik pakte de pan beet en die trok ik over ons
beiden heen en wij beiden kregen de jus over ons heen en begonnen
natuurlijk te gillen. Waarop mijn moeder ook begon te gillen en de
keuken uitrende op zoek naar vader, die elders in het pand zijn
huisartsenpraktijk aan het doen was, maar in mijn beeld gebeurde er
iets heel raars. Juist op het moment dat zij er zou moeten zijn,
verdween ze, was ze er niet meer. En vervolgens, ik had een
behoorlijke brandwond in mijn oksel, moest dat verbonden worden -
iedere dag opnieuw - en kwam er dus nog zo'n volwassene met een
witte jas, die iedere dag dat verband er vanaf haalde, wat
behoorlijk pijnlijk was. Ik heb daar dromen van over gehouden en
ook denk ik de les van geleerd, dat ik - als het erop aan komt -
het toch alleen moet doen. In de zin van - ik droomde dat ik als
klein knulletje door kampen waar ik geboren was heen liep en dat
alle volwassenen gewoon hun gang gingen. Die letten niet op mij. Ik
wist niet waar ik moest zijn, maar niemand besteedde er aandacht
aan. Ik denk dat dat inderdaad op die droom terug is te voeren. Die
droom is tot in mijn puberteit bij me gebleven, die had ik toch
zeker wel eens in de maand. Over blutsen gesproken en wat voor
reacties je daardoor kunt opbouwen.
Ik was dus achterdochtig t.o.v emoties en dat kwam goed uit,
want toen ik medicijnen ging studeren - overigens niet omdat dat
mijn grote passie was, maar gewoon omdat mijn vader het had gedaan
en mijn grootvader ook en die zeiden alle twee dat het zo leuk was.
En ik wist niets leuks, dus ben ik dat gaan doen. Hoe dan ook de
benadering van de gezondheidszorg door de medische faculteit is een
behoorlijk abstracte. Nog steeds is een gevleugeld woord in de zorg
is betrokkenheid met behoud van afstand. Want - en dat vond ik
aanvankelijk een buitengewoon plausibele zaak - er moeten in
ingewikkelde situaties gewoon mensen zijn die dan weten wat er moet
gebeuren. Als je dan in paniek raakt of helemaal de kluts kwijt
raakt, wat hebben de mensen dan aan je. Als professional moet je
dat niet meenemen, dat is niet goed, dat is niet professioneel. We
werden daar langzamerhand in ingeleid. Als er op de snijkamer, waar
we in het eerste jaar al mee te maken kregen, iemand was die er
niet tegen kon dat daar ineens een lijk onder een doek bleek te
liggen, dan werd er gegniffeld, zo van nou, nou dat weet je toch.
Dat soort dingen. En we moesten proeven doen op levende ratjes en
op kikkers om te snappen hoe het zenuwstelsel werkte en de spieren
e.d. en op een gegeven ogenblik verblikte of verbloosde je niet
meer, want dat hoorde zo. Ik weet nog - dat beeld blijft ook altijd
bij me - op een gegeven moment moest ik, al aardig ver in de
studie, een middag meelopen met een patholoog-anatoom. Ik was een
beetje vroeg, onder in het Dijkzicht ziekenhuis in Rotterdam - want
dat soort dingen gebeurt altijd onder in de gebouwen, waar het
donker is, met tegeltjes aan de muur en zo, dat soort beeld heb ik
daarbij - en daar was een soort voetbalkleedkamer met bankjes en
klompen waar ik naar toe ging. Er was verder niemand, want ze zaten
nog te lunchen, ik was te vroeg. Ik zat daar te wachten op dat
bankje en ineens viel mijn oog door de openstaande deur van de
kamer ernaast. En ik zag een teen om de hoek komen met daaraan een
labeltje en met een schok realiseerde ik me dat daar het lijk lag
waar ik binnenkort met die patholoog-anatoom in zouden gaan
snijden. En dan zo'n man die daar aankomt alsof het doodgewoon is.
Het is zijn dagelijks werk. Net als de slager b.v. Dit was alleen
respectvoller, maar toch met een gewoonheid erom heen! Ik snap dat
dat gebeurd als je dat een tijd doet, maar voor mij was dat, ja ik
kon dat niet meemaken. Ik vond dat een beetje veel. Al met al was
ik op een gegeven moment zover dat ik het ook probeerde. En
ongeveer in het vierde jaar ben ik een baantje als verpleeghulp
gaan nemen. Dat betaalde goed en het was altijd nachtdienst, begin
van de avond tot de volgende ochtend. En dan liepen we met de
verpleegkundige van dienst mee. We hoefden eigenlijk niet zoveel te
doen. Alleen 's morgens de mensen wassen. En ik zat dus op een
avond, ik zal het voorlezen: Op een zomernacht werkte ik op de
neurologische intensive care. Het was heel rustig en er lagen geen
mensen aan beademingsapparaten. Er waren weinig geluiden. Alleen de
ademhaling van een paar mensen was te horen. Bij het licht van een
klein lampje zat ik aan een tafeltje wat te mijmeren en te lezen.
Alleen, want de verpleegkundige met wie ik samen dienst had, zat in
de zusterpost te praten met het nachthoofd. Langzaam werd het
buiten licht. De zon kwam op boven de stad, ochtendgloren. Dat had
ik niet vaak zo bewust meegemaakt, zo stil zo rustig. De eerste
vogels zongen. Door de dichte ramen kon ik ze horen, prachtig!
Sereen. En ineens viel me op dat ik het zware ademen van een oude
mevrouw niet meer hoorde. Ik weet niet meer hoe lang dat er al niet
meer was, maar ineens miste ik het. Ik liep naar haar bed en
luisterde nog eens goed. Ik deed het zaallicht aan en zag toen dat
ze inderdaad niet meer ademde. Dat ze er niet meer was. Weg, dood.
Daar was ik nog nooit zo dichtbij geweest. Ik schrok ervan. Maar,
op een bepaalde manier was het ook mooi. Ik was er vol van. Ik liep
naar de zusterpost om het te vertellen. En daarmee kwam de wereld
met een schok weer op gang. De verpleegkundige kwam in actie. Ze
belde de dokter, de familie en even later waren we samen de mevrouw
aan het afleggen. Ook dat was nieuw voor me. We wasten haar, kamden
haar haar, kleden haar netjes aan en deden zo'n plastic ding onder
haar kaak, om het uitzakken ervan te voorkomen. Vreemd om er zomaar
voor te staan en het te doen. Maar, wat me echt weer op de grond
deed belanden, was dat er vette watten in haar anus moesten worden
gestopt. En dat ìk dat moest doen, om eventueel verlies van
ontlasting tegen te gaan. Bij het begin van het afleggen was ik me
dat nog niet bewust, maar geleidelijk aan drong tot me door dat ik
met een lege huls bezig was. Dat ze er niet meer bij was, zelf. Dat
we heel adequaat met haar overschot bezig waren. Maar, dat de
essentie, die maakte dat zij geweest was wie ze was, er niet meer
in zat. Die essentie hoorde nog wel bij de sfeer die er kort
daarvoor op de afdeling had gehangen. Maar, die sfeer was er nu
niet meer. Die paste hier ook niet bij. Daar was trouwens ook geen
aandacht voor. Dit was gewoon werk. Heel gewoon. En, wat ik erbij
voelde of dacht, was van mij en hoorde ook bij mij te blijven. Dat
is nu eenmaal zo. Het werd me later, toen ik er een opmerking over
maakte, ook nog eens uitgelegd: anders kun je niet werken. Want,
straks komt de familie en dan moet ze er goed bijliggen. Ik snapte
dat en toch raakte het me. Was er toch iets wat geen aandacht kon
krijgen en wat toch geraakt was en niet helemaal goed was. Ik
studeerde af en werd huisarts. Ook dat is iets wat ik niet uit lang
geleden passie begon, maar, in de loop van mijn co-schappen in het
ziekenhuis, lopend tegen alle hiërarchische en technische
regels die daar waren, had ik het gevoel dat dat niet de plek was
waar ik wilde werken. Ik had het geluk dat ik bij een huisarts in
Zeeuws-Vlaanderen terecht kwam voor mijn co-schap - zes weken - die
woonde op de grens van Nederland en België en die hield zich
aan geen één regel. En die had een enorm gebied. Ook
patiënten in België. En dan reden we - nu is dat heel
gewoon met die gsm'tjes, maar toen had je een hele installatie in
de auto met een oproepzender en zo - door de grensstreek. En als
het moest onderzocht hij iemand op het biljart in het plaatselijke
café. Zo'n man was het. En dan riep zijn vrouw ons tegen
etenstijd op dat hij thuis moest komen en dan gingen we eten. In
ieder geval zag ik daar de geneeskunde zoals ik eigenlijk het
gevoel had dat ik het zou willen doen: van de wieg tot het graf en
met gewone mensen, waar een relatie mee kon worden opge-bouwd. Dat
heb ik toen gekozen en ik heb het geluk gehad dat ik daarmee in
Nieuwkoop terecht kon komen. Het was toen niet gemakkelijk om een
plek te vinden. Door allerlei toevalligheden kwam ik in Nieuwkoop
terecht. Ik noemde het toen overigens nog toevallig-heden, maar er
zijn later dingen gebeurd, waardoor ik dat niet meer kan zeggen.
Maar, dat is nu te ingewikkeld om in een paar zinnen uit te leggen.
Misschien komen we nog wel op een paar dingen daarvan uit. Hoe dan
ook, in 1976 vestigde ik mij in Nieuwkoop, we hadden toen een
dochtertje van een half jaar. Twee jaar later werd het tweede kind
geboren. Mijn eerste dochter was geboren in het ziekenhuis. Zij was
5 weken te vroeg, had onder de lamp gelegen, was helemaal lek
geprikt in de hiel om de bilirubine te bepalen. En die hadden we op
een gegeven moment mee naar huis genomen, zo na een dag of tien.
Want, we hadden het idee dat het verder niet veel toevoegde om daar
de blijven en dat het tijd werd om haar naar huis te halen. Dus,
moesten we tekenen voor eigen risico. Dat hebben we toen gedaan. We
hadden ons voorgenomen het bij de tweede bevalling heel anders te
doen. In elk geval er rekening mee houden dat het vroeg zou kunnen
komen. Dus, voorzichtig gedaan in de laatste maanden. Een
buurtcollega, die we alle twee heel aardig vonden zou de bevalling
doen en ik zou er gewoon als vader en echtgenoot bij zijn. En dat
gebeurde ook. Juli, hoog zomer, 1978, werd zo thuis, ons zoontje
geboren. En dat was een blijde gebeurtenis, kan ik u vertellen. Het
restaurant begon ook meteen goed te lopen, we hadden 10 dagen lang
héél veel mensen langs en ja, het was feest! Toen op
die 10e dag heb ik hem samen met die buurtcollega nog nagekeken.
Kerngezond, over zijn geboortegewicht heen. 's Avonds had hij nog
borstvoeding gekregen. We zaten in de kamer en hij huilde een
beetje. Mijn vrouw was met een vriendin aan de telefoon en ik zat
de krant te lezen. Voor mij was dat heel gewoon en zij dacht, ik ga
toch even kijken.
Ik zal het voorlezen:'s Avonds werd het ineens helemaal
anders.
Wat 's morgens nog het begin van een periode van groei en bloei
leek, was dat 's avonds niet meer want diezelfde avond, stierf hij,
in mijn armen en ondanks mijn beademen en hart-massage, onderweg
naar het ziekenhuis. Wiegendood, werd dat genoemd. Maar hij had om
zeven uur nog gewoon zijn voeding gehad. Een uurtje later had mijn
vrouw hem anders als anders horen huilen. Ze was toch maar even
gaan kijken en had hem tot haar grote schrik wel erg benauwd
aangetroffen. Heel snel oppervlakkig ademhalend, met donkerblauwe
vlekjes op zijn buik. We hadden hem eerst samen op de grond in de
huiskamer beademd. Mijn vrouw was tot de geboorte van onze oudste
dochter verpleegkundige en het laatste jaar hoofd van de Intensive
Care geweest. Zij was zo'n kordate, twee rechterhanden
verpleegkundige en ik was net klaar als huisarts, dus wij hadden
beiden zo het gevoel van nou kom maar op, dat kunnen we allemaal
wel hanteren. We hadden hem eerst samen op grond van de huiskamer
beademd en toen was ik met een collega in de auto gesprongen en
naar het ziekenhuis in de buurt gereden. Mijn vrouw had onze
dochter bij buren gebracht en was met de vrouw van een collega
achter ons aan gereden. We liepen elkaar mis en zagen elkaar pas
weer bij thuiskomst.
Want ik kwam met die collega die mij reed. Maar, eerst onderweg er
naar toe had ik het gevoel, het was 20 kilometer, na 10 km dacht ik
ja, hij is dood. Ik ben toen gestopt met beademen. Even gestopt
langs de kant van de weg en toen zijn we doorgereden naar het
ziekenhuis en daar stond de kinderarts die gewaarschuwd was, bij de
ingang op ons te wachten, geheel ontdaan. Ze wist niet wat ze moest
zeggen, wat ze moest doen. Ze vroeg aan mij zou je obductie willen.
Zou je willen weten waaraan het kindje is overleden? Ja, en dan
wordt je bestormd door vragen, dat is zo verbijsterend, dus ik zei
ja. Maar, dat betekende dat ik mijn zoontje moest achterlaten in
het ziekenhuis en vijf minuten later reed ik met die man weer
terug. En ondertussen was mijn vrouw onderweg en die miste ons. Die
kwam ook in het ziekenhuis en ja ze zijn al weg. Nou, ja, een en al
verwarring en verbijstering. We zagen elkaar pas weer bij
thuiskomst. Sprakeloos en verbijsterd waren we, de tranen voorbij.
Ons zoontje was in het ziekenhuis achtergebleven voor onderzoek,
maar de oorzaak bleef ook na de toegestane autopsie, onbekend. Twee
dagen later mochten we hem nog even zien, voordat hij in de kist
werd gelegd. Hij lag in het mortuarium van het ziekenhuis, op zo'n
tegeltjeskar. Ze hadden hem in een wiegje gelegd, midden in de kale
koude ruimte. De kinderarts en de patholoog-anatoom hadden ons
erheen gebracht en ze waren buiten op de gang blijven wachten. We
wisten ons geen raad met de situatie. Daar lag hij, alsof hij
sliep. Maar, O zo wit en stil, van was, weg. Maar, in onszelf was
hij nog zo heel erg aanwezig. En hij lag daar O zo koud. We hem wel
uit het plastic wiegje willen halen om hem weer warm te maken, te
omarmen, te zoenen, maar we durfden het niet. Na 5 minuten werden
we door een kiertje van de deur gevraagd of we klaar waren. En 10
minuten later stonden we buiten. Helemaal leeg en zonder enig idee
hoe het nu verder moest. We deden in onze verdoving maar het eerste
wat in ons op kwam. Veel zouden we nu anders hebben gedaan, maar we
wisten toen gewoon niet beter.
Nou, achteraf, nu, mag ik zeggen dat het een van de geschenken is
geweest die ik in mijn leven heb gehad. Maar, om het uit te kunnen
pakken, daar heb ik wel een paar jaar over moeten doen. Want,
inderdaad; ineens was niets meer zeker. Ik vertrouwde het leven
niet meer. Ik had het gevoel van wat ben ik aan het doen als
huisarts. Ik had daarbij nog wel het voordeel dat ik dat werk had,
want mijn vrouw zat met ons dochtertje van tweeënhalf thuis en
die had die afleiding niet. Ja, die werd dus buitengewoon
depressief. Overigens heeft ons dochtertje haar daar behoorlijk
doorheen geholpen want die ging gewoon door met leven. Die kwam
gewoon weer vrolijk thuis, nam vriendinnetjes mee en als mijn vrouw
op de bank zat te huilen, dan kwam ze gewoon met een theedoek aan.
En ja, we gaan weer door. Dat was voor ons nog niet zo gemakkelijk
en ook in mijn werk waren er regelmatig situaties, die weer op die
knoppen drukten. Hele bizarre situaties. Daar zal ik er een paar
van noemen, want daar zit dat toeval ook in. Heel wonderlijk. Een
week of drie na het overlijden van Nanne, ons zoontje, deed ik een
bevalling van een mevrouw uit een andere praktijk, maar, ze kende
me wel en ik wist ook wie zij was. We hadden nl. een duopraktijk,
mijn collega had zijn eigen patiënten en ik had mijn eigen
patiënten maar we zaten in hetzelfde pand, dus we zagen
elkanders patiënten. En toen ik daar voor de bevalling aan de
deur kwam - het was het derde kind van die mensen - lieten ze mij
direct weten dat ze wisten wat er gebeurd was. Dat hielp. Ik vond
het prettig dat dat niet moest worden weggehouden. En tot mijn
stomme verbazing vertelden ze mij toen dat zij beiden hun jeugd
hadden doorgebracht in Enkhuizen. Daar komt mijn familie vandaan.
In Enkhuizen is een grote zaadhandel, Sluis & Groot. Mijn vader
was de derde zoon van de Sluisentak en mocht dus niet in het
bedrijf. Dat heeft hij altijd jammer gevonden, maar hij is toen
arts geworden en daarom ben ik het ook geworden en ik ben daar heel
blij mee moet ik zeggen. Maar, hoe dan ook, zij kwamen uit
Enkhuizen, kenden dat bedrijf en het wonderlijke was dat hun beiden
vaders daar gewerkt hadden. En dat ze ook wisten van onze traditie
in huis, het gezin, de familie, om de oudste zonen te vernoemen. En
wij hadden dus een rijtje Nanne, Pieter, Nanne, Pieter in de
familie en af en toe kwam er dan ook nog een Joost bij. En even
later, na de bevalling stond ik dus met een jongetje in mijn armen
die Pieter Joost heette, dus die die andere twee namen had. Nu, dat
kan je niet verzinnen. In Nieuwkoop twee mensen die ineens dat hele
verhaal meebrengen. Wat je ook niet kan verzinnen is dat ik in de
drie jaar daarna nog vier keer wiegendood in mijn praktijk heb
meegemaakt en daarna nooit meer. Dat zijn ook van die
onbegrijpelijke wonderlijke dingen. Afijn, in de weken, maanden,
jaren daarna zijn wij op zoek gegaan naar hulp, want het was meer
dan wij konden dragen aanvankelijk. En die bleek er niet te zijn.
Het was 1978 en de dood was geen onderwerp, daar hadden we het niet
over met elkaar. Ook niet in de gezondheidszorg. Terugdenkend aan
mijn eigen opleiding was het inderdaad zo, dat de internist waar ik
het co-schap drie maanden interne geneeskunde bij liep, die had het
woord kanker nooit in de mond genomen. Het was altijd een Latijnse
term of een soort verbastering. Want, dat konden de mensen niet aan
nl. In ieder geval konden de dokters het niet aan en werden mensen
die terminaal waren vaak ook apart gelegd en daar gingen ze dan bij
de visite met een bocht omheen. Want, daar hadden ze niets meer aan
te bieden, dus deden ze er ook maar liever niets mee. De dood was
letterlijk de grens en als je daar voorbij was, dan was het voor de
geneeskunde klaar. Maar, als je door moet leven met zoiets, dan is
het nìet klaar. Voor ons was het dus van groot belang dat we
iemand tegen kwamen, die er in ieder geval bij kon blijven en die
zich er niet vanaf maakte met - overigens goed bedoeld hoor - want
wat moet je anders zeggen als je niet naar het duister kunt kijken
- jullie zijn nog jong en er komen misschien nog wel meer kinderen,
dat soort goed bedoelde dingen. Maar, het was niet gemakkelijk om
dat te ontvangen, dat moet ik wel zeggen. Ik zat in die tijd,
aangemoedigd door mijn voorganger, die landelijk actief was als
huisarts, zat ik in een commissie Medische Psychologie van het
Nederlandse Huisartsen Genootschap. Dat was een club huisartsen,
die met elkaar onderwijsprogramma's maakten voor de nascholing van
huisartsen op het gebied van de Medische Psychologie. We noemden
dat: arts-patiënten relatie en dergelijke, daar maakten we een
driedaagse cursus voor. En ik dacht dat is misschien een groep
collega's, die voor dit soort dingen ruimte zouden kunnen hebben.
Maar, met elkaar moesten we constateren dat dat er niet was. Dat we
in ons vak dat onderwerp niet bij de kop hadden. En we hebben toen
met elkaar een cursus stervensbegeleiding voor huisartsen gemaakt.
Daar heb ik intensief aan meegedaan en we deden dat volgens de
regels die toen gebruikelijk waren, nl. cognitief. We maakten
prachtige rijtjes van wat je dan het beste wel en wat je dan het
beste niet kan doen. En iedereen vond dat een goede cursus. We
hebben hem proefgedraaid en ik vond het ook best wel aardig, maar
het ging niet over waar ik naar op zoek was. En ik wist niet hoe ik
dat wel woorden moest geven. Ik wist het gewoon niet. Je had toen
dat boekje van Elisabeth Kübler-Ross, dat was eigenlijk het
enige wat er toen was: Lessen voor levenden, gesprekken met
stervenden. Dat had ik een paar jaar daarvoor gelezen en dat staat
vol verhalen van mensen die er plotseling mee geconfronteerd
worden. En dat had ons geraakt. En ik zag toen toevallig in de
zomer van 1980, dat Elisabeth naar Nederland zou komen - voor het
eerst naar Europa - voor een lezing over dit onderwerp, in het
Slotervaartziekenhuis in Amsterdam.
Daar zijn we samen naar toe gegaan. Er was zoveel aanloop, dat ze
twee lezingen hield op dezelfde middag en vanaf het begin hadden we
beiden het gevoel, dààr zit iemand die snapt wat we
hebben meegemaakt. Een gewoon mens, met witte sokken en sandalen en
een zelfgebreid vestje aan, met een enorm Duits accent, Engels
pratend en een humor van klasse, die aan één stuk
door verhalen vertelde die gingen over de lagen die je tegen komt
tijdens dit soort verlieservaringen. We zaten doorlopend met tranen
in de ogen en toen ze zei dat ze een workshop zou geven, hebben
mijn vrouw en ik ons beiden opgegeven. Dat zou een half jaar later
plaats vinden en ze zei daarbij: "Ik geef er twee achter elkaar en
als je als echtpaar iets hebt meegemaakt, kom dan apart, geef
elkaar de ruimte, want je bent geneigd om je toch groot te houden
voor elkaar". Zo hebben wij dat ook gedaan. Mijn vrouw is de eerste
vijf dagen gegaan en ik de tweede vijf dagen. Daar tussen door was
ik jarig. Huis vol en zij was teruggekomen, op vrijdagavond, uit
die workshop en helemaal enthousiast. Vol verhalen wat er allemaal
gebeurd was. Iedereen hing aan haar lippen en ik had zoiets van nou
dat moet ik ook, dat lijkt me geweldig. Dus ik daar maandagochtend
naar toe, naar een klooster in Brabant. Er waren 80 mensen, de
helft uit de professionele zorg, de andere helft met vreselijke
verhalen, die dachten dat Kübler-Ross ze zou kunnen helpen en
binnen een dag zat ik met kromme tenen te wachten tot het helemaal
uit de hand zou lopen. Want, ze liet daar mensen in hun wonden
staan, zoals ze dat noemde. Ze zei: "Ik hoef het niet te snappen,
wat je met je meedraagt, maar deel het weer es, dat verhaal, wat je
misschien al dertig jaar niet meer verteld hebt. En het gaat er
niet om dat het in detail klopt, maar ga er es in gedachten naar
terug. Sta weer op die appèlplaats in Maidanek, zie je man
hangen aan het touw in het trapgat, ga daar terug en wat voelde je
toen. En als het weer begint te stromen, kom maar. Hier ligt voor
mij een matras, dat is het werkterrein. Ik bewaak dat je daar niet
afgaat. En wat er komt, komt. Laat maar gebeuren". En daar kwamen
nogal wat emoties, wanhoop, woede! Ze had een rubberslang, een
dikke rubberslang en een telefoonboek en als er dan boosheid boven
kwam, dan nodigde ze de mensen uit en vroeg van hoe heet ie, en als
het God was , zei ze dat hindert niks, die kan er wel tegen. Ga je
gang, vertel maar wat je zou willen vertellen. En dan vlogen de
blaadjes door de kamer en dan zaten er meteen 10 ook mee te doen,
een wervelstorm van emoties, in een vak wat altijd geprobeerd had
de emoties eronder te houden, moet u zich voorstellen. Dus, ik
dacht dat gaat helemaal mis, daar worden mensen psychotisch. En er
liepen ook mensen de zaal uit, want ja, hoe meer er in proces
komen, er kan er maar 1 tegelijk daar werken. Die liepen de zaal
uit, die konden het dan niet meer houden en dan liepen er stafleden
van haar achter de mensen aan en dan waren er kamertjes
geprepareerd waar ook zo'n matras lag en dan konden ze daar hun
verhaal met het staflid delen. Dat duurde 5 dagen. Na een dag of
drie maakte ik een soort bocht, want ik zag gewoon aan die mensen
hoe diep het ze geraakt had en wat het met ze gedaan had. Het was
alsof er werkelijk lasten van die mensen waren afgevallen. En ik
kon me dat later ook wel voorstellen. Als je zo'n verhaal met je
draagt, waarvan iedereen zegt, ja, dan kennen we al. Zo doen wij
namelijk. Als je het zelf niet meegemaakt hebt en een ander vertelt
je een verhaal en dat nog eens en nog eens en nog eens, dan komt er
een moment dat je gaat terugseinen: ho maar, doe dat maar niet
meer. Terwijl het voor die mensen hun leven veranderd heeft en
dagelijks met ze mee gaat. En dat blijft dan een eenzame loop, die
nooit meer gedeeld wordt, waar het verhaal niet meer van kan worden
gedeeld. Ik heb daar heel goed begrepen, hoe belangrijk het is dat
wij onze kernverhalen, de dingen waar we echt in geraakt zijn, in
hart en ziel, dat we die met regelmaat blijven vertellen.
Er is een oude Indiaanse wijsheid uit Noord-Amerika, die zegt op de
Eeuwige Jachtvelden daar is het geweldig, daar hebben de geesten
het zeer naar hun zin, maar het enige wat ze daar niet kunnen is
elkaar raken, aanraken en daarom worden ze geboren, want dat willen
ze toch ook heel graag meemaken. Het probleem alleen is dat je daar
eenzaam van wordt. Want, je komt ineens in een beperking van tijd
en ruimte en iedereen zijn eigen. Dus hun gezegde is, het enige wat
wij gemeenschappelijk hebben, is onze eenzaamheid. Ik weet niet of
het waar is. En zeggen ze het enige wat je daaraan kunt doen is
samen delen. En daar zit eigenlijk de kern van wat Kübler-Ross
mij heeft leren doen. Want, om het nog even terug te halen. Ik en
iedereen in de gezondheidszorg en in menig ander vak, wordt
getraind in het kijken naar details, focussen en dan het liefst van
een afstand, zodat je kan zien hoe het in elkaar zit, het gaat
begrijpen, controleren, zodat je vervolgens kunt manipuleren, er
iets mee kunt doen en daarmee concreet kunt helpen. Prachtig, want
er zijn dingen ontwikkeld op die manier, die maken dat wij nu
gemiddeld 20 jaar ouder worden in de laatste halve eeuw, dus daar
is op zich niets op tegen. Maar, door die manier van kijken,
gericht op het altijd maar weer onder woorden brengen van je
doelstellingen - je kunt er een hele lijst van maken, dat heb ik
ook gedaan, staat in die boeken - de zorgparadox, wij brengen de
zorg als wetenschap, maar als je je afvraagt wat is zorg eigenlijk
voor mijzelf, dan is dat eigenlijk vooral een subjectieve
aangelegenheid. Dan wordt dan getekend door wat ik daarin zelf
nodig heb. En het geniale van Kübler-Ross - en het is voor een
dokter helemaal niet gemakkelijk om dat te doen - was, dat ze dus
dat focussen en dat moeten weten - want dat zit eraan vast, bij
focussen zit ook dat je wil weten en dat je als dokter ook van
jezelf verwacht dat je het mòet weten, want als jij het niet
weet, wie weet het dan nog wel, daar komen mensen voor - is dat zij
kon zeggen: ik hoef het niet te weten en in plaats van een stap
vooruit te zetten en te zeggen zo doen we dat, leerde ze zichzelf
aan en voelde ze dat ook zo, om een stap terug te zetten, om ruimte
te maken voor diegenen die vol zat ergens mee. En dan niet volgens
bepaalde regels van schrijf het eens netjes op, maar, laat maar
komen wat er is. Voor de één is dat een verhaal, voor
de ander is dat een gil!. En ze zijn beide waardevol op zo'n
moment, als het uit de tenen komt tenminste, want daar was ze ook
bikkelhard in. Als mensen mee gingen doen omdat ze het gevoel
hadden dat ze dat wilden, maar het was niet echt, niet uit hun
tenen, dan stopte ze ogenblikkelijk. Want, ik denk dat het waar is:
als je de klep van je eigen pressure cooker echt open kunt zetten,
niet als je er omheen gaat lopen en daar dingen over vertelt. Het
moet vanuit de diepte komen. Dat is echt het woord wat bij
Kübler-Ross hoort voor mij: ruimte maken. En toen dat
geleidelijk aan tot me begon door te dringen, wilde het toeval dat
ik een jaar later in een situatie terecht kwam die ik absoluut niet
had kunnen bedenken. Ik was een bepaalde methode die zij ook leert
- omgaan met spontane tekeningen - gaan leren. Fascinerend.
Jungiaans. In mijn studie hadden we het wel eens over Jung gehad,
maar, omdat we daar geen tentamen voor moesten doen, had ik mij
daarin niet verdiept. Maar, in haar medische opleiding in
Zwitserland, voordat ze naar Amerika ging - ze kwam uit Zürich
en daar was het Jung Instituut - was ze in contact gekomen in het
ziekenhuis waar ze co-schappen liep, met een Jungiaanse psychologe.
Een Engelse, die daar onderzoek deed naar de overeenkomsten tussen
de medische dossiers van een kinderkliniek voor kinderen met kanker
en de tekeningen die die kinderen hadden gemaakt in die periode.
Die waren echt - tüchtig Zwitsers - netjes naast elkaar in het
dossier geplaatst. Dus had ze gevraagd, toen ze hoorde dat die
dossiers er waren met al die tekeningen, mag ik eens kijken of ik
in de tekeningen het proces van de kinderen kan terugvinden. En dat
kon, daar heeft ze een heel prachtig boekje over geschreven, wat
overigens in 1968 is uitgebracht en nooit belangstelling kreeg.
Want, dat kwam toevallig uit in zo'n golf, waarin dat onderwerp,
psychologie viel onder: als je naar de psycholoog gaat, dan is het
wel heel slecht met je gesteld. Maatschappelijk werk en zo...., dan
ben je wel zo'n slappeling, dàt is vreselijk... in die sfeer
gebeurde dat. En daardoor was die informatie eigenlijk nooit goed
naar buiten gekomen. Maar, omdat Kübler-Ross daar haar
co-schappen liep en met die vrouw was gaan optrekken en contact
heeft gehouden en het is gaan gebruiken in haar workshops, was dat
iets wat zij kon aanbieden. Ik vind dit echt fascinerend. Ze liet
ons de eerste avond alle 80 aanwezigen, een tekening maken. We
kregen een A-viertje, krijtjes, 10 minuten: maak een tekening. Ja,
maar ik heb al ....... Dat hindert niet, maak een tekening.
En dan haalde ze er 10 uit, anoniem, ze kende niemand van ons en
begon dan vervolgens plenair iets over degene die de tekening had
gemaakt, iets te zeggen. En dat was behoorlijk raak. Dat bracht het
proces op gang. En ik zat er werkelijk met verbazing en verrukking
naar te kijken, want, als dat waar was, als je dat kon leren.., nou
dat was voor mij een perfect instrument, ook in de praktijk. En ik
dacht opeens, ik krijg ook regelmatig mensen op mijn spreekuur, die
voor de zoveelste keer met hun hartkloppingen of iets anders komen
en waarbij dan na onderzoek niets medisch kan worden teruggegeven
van het zit zus of het zit zo. Als ik dan voorzichtig zei er is
niets aan de hand, dan werd dat altijd afgewimpeld. Nogmaals, het
was die periode van als je dat toegaf dan was je een slappeling. En
toen dacht ik ineens, dit is zo'n licht, simpel instrument en het
is 1 op 1, dus je hoeft niet met de billen bloot voor totaal
vreemde mensen. Ik was hun vertrouwde huisarts, dus ik bood mensen
aan om eens een paar keer een tekening te komen maken. Nou,
belachelijk, maar als u dat nu zo graag wil, goed. En zo heb ik dat
met kinderen, maar ook met hoog bejaarde mensen gedaan, een paar
honderd. En ik moet zeggen, ik ben daar nog steeds enthousiast
over, het is werkelijk een prachtig instrument. Het wordt ook nog
steeds aangeboden door de Elisabeth Kübler-Ross Stichting in
Nederland, als basiscursus, omgaan met tekenen. Ik had die cursus
dus gedaan en een jaar later kwam Elisabeth terug om nog weer 2
workshops in Nederland te geven en ik had een stapeltje van mijn
eerste patiëntentekeningen en die wilde ik aan haar laten
zien. Maar, hoe dan ook, ze was me voor. Ze was op woensdagochtend
in Nederland aangekomen. De workshop zou om 12.00 uur 's middags
beginnen en ze had geen assistentie. Het Amerikaanse echtpaar
waarmee ze samenwerkte, daar had ze mee gebroken, omdat de man een
half jaar daarvoor in opspraak was geraakt, omdat hij in zijn eigen
psychotherapie praktijk met minderjarige meisjes had zitten
rommelen. Hij had dat ontkent en zij had dat gelooft, maar toen dat
toch bleek waar te zijn, had ze acuut met hem - maar ook met haar,
want ze ging achter haar man staan - gebroken. En toen meende ze
het te kunnen opvullen door aan een Duitse arts, die een half jaar
met haar had meegelopen in Amerika te vragen om te komen assisteren
in Nederland. En dan ook daarna bij de eerste workshop die ze in
Duitsland zou geven. Maar, toen ze op Londen op tussenstop in haar
hotel was, lag daar een telegram van die jongen dat hij niet naar
Nederland kon komen omdat zijn vader was overleden. Hij moest de
zaken daar in Duitsland regelen. Hij kon alleen de Duitse workshop
meemaken. Dus ze had niemand. En inderdaad kan dat niet. Als er
mensen de zaal in en uit lopen, moet er opvang zijn. En ze had
gehoord van degene die de workshop had georganiseerd, dat ik de
cursus had gedaan omdat ik arts was. Dat waren beide voor haar
belangrijke dingen en dus belde ze donderdagochtend tijdens het
spreekuur op, of ik haar direct kon komen helpen. Donderdagmiddag
was mijn vrije middag altijd en dus hoefde ik alleen de vrijdag
vrij te organiseren. Dat lukte en zonder dat ik mij er even op had
kunnen voorbereiden, zat ik anderhalf uur later in de auto met
knikkende knieën naar Brabant te rijden onder het motto: nu
gaat het gebeuren. En inderdaad, dat zijn initiaties geweest en dat
is nog zo'n paar jaar doorgegaan. Ik werd steeds in situaties
gebracht die ik nog nooit eerder had meegemaakt. De eerste waarmee
ik ging werken - en dat was ook mijn angst - werd psychotisch. Die
rende de zaal uit en die was Jezus geworden. Die had het licht
gezien. Daar ging ik mee apart op een kamertje zitten en ik dacht
wat moeten we nu? Want ik had in mijn ervaringen met psychoses in
de huisartspraktijk toch regelmatig meegemaakt dat dat beslist niet
overging en dat ze dan injecties moesten hebben en soms ook werden
afgevoerd naar het ziekenhuis. En zij kwam gewoon tijdens de koffie
die kamer binnenlopen om te kijken waar ik bleef. Ze zag dat en
ging met die jongen aan de praat alsof het de normaalste zaak van
de wereld was. Zo van: ja dat gebeurt wel eens, dat is niet erg,
soms is het te veel voor je. Maar weet je wat, je neemt gewoon de
rest van de dag en morgen, zolang als je nodig hebt, vrij. Ga maar
naar je kamer, we zullen je goed in de gaten houden. Je kunt met al
je vragen terecht bij iemand die regelmatig bij je langs komt. En
ik dacht nog steeds, ja, dat zeg je zo gemakkelijk, maar dat gaat
natuurlijk niet. Maar, het was waar. Die jongen kwam inderdaad twee
dagen later weer in de groep. En natuurlijk vertrouwde ik dat niet,
want ik voelde dat is wel fraai: die komt hier even twee keer per
jaar langs, ontsteekt een wervelstorm en vertrekt weer en wij mogen
het hier maar zien te redden. Dus ik ben die jongen gaan volgen,
maar dat is toch uiteindelijk - het heeft wel even geduurd - heel
goed gekomen. Die is kort daarna - en dat vind ik wel goed - een
voettocht naar Assisi gaan doen, in z'n eentje, gewoon lopen naar
Noord-Italië en dat heeft hem geweldig veel goed gedaan. Maar,
Kübler-Ross had dus begrepen dat ik daar niet veel verstand
van had en die verwees vervolgens iedere psychotische cliënt,
waar moeders haar over schreven in Amerika, door naar mij. Dus ik
had een paar jaar lang regelmatig confrontaties met psychose en ik
moet zeggen ik ben er nu niet meer bang voor. Het wonderlijke is
dat mijn beide dochters in de psychiatrie werken en die zeggen, ja,
wij houden van gekken. Ik kan dat niet altijd zeggen, maar ja, het
is heel bijzonder om met die mensen te werken. Zo ben ik dus bij
Kübler-Ross terecht gekomen en met mijn Calvinistische
instelling ben ik gaan proberen zoveel mogelijk naar Amerika te
kunnen gaan om van haar te leren. Want ik had het gevoel, dat kan
toch niet zo maar, dat je ineens assistent van Kübler-Ross
bent, een wereldberoemd persoon. Dus ik ben trainingen gaan doen in
Amerika, Amerikaanse workshops en dat bleken ook weer initiaties en
dat was niet met opzet. Want, in Amerika, we hebben het dan over
1981, 1982, 1983, toen had je Vietnam veteranen. Jonge mensen, die
echt getraumatiseerd waren door de oorlog en die kwamen in grote
getale naar haar Amerikaanse workshops. En ja, als die naar hun
angsten van de dood in de ogen gingen kijken, die nog heel vers
waren, ja, dan was dat werkelijk schokkend om te zien wat een
paniek er dan losbarstte. Op een gegeven moment sliep ik in een
trainers training, want ik ben ook een training gaan volgen, met
zo'n sergeant op één kamer - want hij wilde dat ook
gaan leren om aan zijn medeveteranen te kunnen aanbieden - maar die
man durfde niet onder een dek te slapen als er iemand anders in de
buurt was. En hij had een groot mes onder zijn matras liggen en als
we in de zaal zaten, ging hij met zijn rug tegen de muur zitten,
dan kon niemand achter hem staan, dat soort dingen. Echt helemaal
kapot gemaakte mensen. En wat er toen ook was, waren de eerste aids
patiënten. Amerika was toen echt panisch voor aids. En
Kübler-Ross - en daar heb ik dus werkelijk bewondering voor
gekregen - die trok zich daar helemaal niets van aan. Die begon
zo'n workshop met: "Good morning ladies and gentlemen, especially
the three aids patients amongst us". En dan zag je die mensen
verschieten van kleur, zakdoekjes pakken en denken wie zou dat
wezen? Dat kon je zomaar oppikken, dachten toen de mensen. Afijn,
ik heb ieder jaar zo'n paar klysma's van Kübler-Ross gekregen.
Geleidelijk aan ging dat toen ook andere vormen krijgen, waardoor
ik de keus heb gemaakt om daar ruimte voor de maken. Want, zij
wilde op een gegeven moment - en dan komen we naar de vertaling van
de Hospice beweging toe - ze wilde aanvankelijk dat er een
Nederlandse Stichting kwam die haar workshops organiseerde, ze
kreeg daar natuurlijk geld voor en dat moest verantwoord worden
voor de Amerikaanse fiscus en dat zou dan beter kunnen als we een
stichting waren - dus of ik een stichting wilde oprichten. En dat
heb ik toen gedaan, de Elisabeth Kübler-Ross Stichting, die
overigens nog steeds een bloeiend bestaan lijdt, met vier symposia
per jaar in het land. Met zo'n drieduizend mensen die daar steeds
samenzijn. Er gaan er natuurlijk weg en er komen erbij, maar toch
al 20 jaar daar ruimte vinden voor dingen die ze normaal gesproken
moeilijk kunnen delen. Dat werd als het ware een soort
moederschoot. Daar zat een groep mensen bij elkaar die met elkaar
dit wilde delen. Die dit zagen. Daar moeten we in onze cultuur voor
waken en proberen er iets aan te doen, dat spiritualiteit, de ziel,
gevoelens, dat die weer een plek krijgen, want die zijn even
belangrijk als het lijf en het verstand.
Zij heeft een model van de vier kwadranten waar we in het leven
mee te maken krijgen en dat begint bij het lichaam, de ziel die
contact maakt met de stof. Dan is er zijn, er kunnen zijn, in deze
tijd en ruimte, staat centraal, dat is het eerste jaar zo'n beetje.
Daarvoor is het heel erg van belang dat het veilig is. Doordat het
veilig is, durf je er te zijn. Als het niet veilig is, als er geen
zorg is, als er geen aanraking is, dan gaat dat mis, dan zal dat
later in het leven ook terug komen als een gevoel, als een gemis
aan basisveiligheid. In de tweede fase - dus het eerste is het
lijf, het tweede is het gevoel, dat is de fase van 1 jaar tot
schoolrijpheid, waarbij je contact met andere mensen gaat krijgen,
dus ook te maken krijgt met "nee". En dat roept gevoel op en daar
leer je omgaan met gevoel in relatie tot anderen. Bij de
gevoelsfase is het basiswoord vertrouwen. Als er een soort
vertrouwen is, durf je je te openen, kun je contact maken ook op
gevoelsniveau, met anderen, basisvertrouwen hoort bij die fase.
Dan komt de fase van het verstand, de schoolrijpheid en daar hoort
bij verantwoordelijkheid. Als dat zich goed ontwikkeld, ga je
deelnemen, ga je staan op je eigen plek, ga je je eigen keuzes
maken, ga je meedoen en kun je je eigen persoonlijkheid ontwikkelen
op je eigen manier. En ergens - laten we zeggen voorbij de 40, bij
sommigen eerder, bij anderen later - komt dan de fase waar dan over
gezongen wordt, dan is dat doelbewust dat je je gaat realiseren dat
je voor de derde, vierde keer cycli doorloopt, het wel weet en is
dat nu alles. Gaat het daar nu over in het leven, wat is nu
eigenlijk de zin. En dan is er weer ruimte vanuit je eigen beleving
voor contact maken met dat wat groter is en het langzamerhand het
weer gaan loslaten daarvan. In die fase gaat het over vrede sluiten
en uiteindelijk - het is een rijtje van V's, als je dat rijtje
rondmaakt bij het overlijden en het is allemaal goed verlopen, dan
ontstaat er een gevoel van vrijheid. Dat betekent dus dat mensen
dat goed zouden kunnen moeten doorlopen, maar dat gebeurt niet
altijd. Dat hebben we gezien en dat is ons aller verhaal. Iedereen
heeft zijn blutsen en deuken opgelopen en heeft daaraan geleerd en
is daarmee ook sterk geworden. Er zijn misschien nog een paar oude
wonden, maar het maakt ons ook tot de mensen die we zijn. Wat
Kübler-Ross in haar manier van omgang met de dood heeft
gedaan, is de mensen helpen om de dingen die in hun pakket zitten
en niet af zijn, om daar alsnog ruimte voor te maken. En dat zijn
over het algemeen de pijnlijke verhalen. En om daar dan bij te
blijven. Het motto van de vrijwillige terminale zorg is ook: "er
zijn". En daar gaat het over, dat je op zo'n moment - niet zoals de
dokters vroeger deden, die op het verstand gericht waren, op het
begrijpen en controleren, er geen raad mee weten en er dan omheen
gaan lopen - maar dat je ernaast gaat zitten, het niet hoeft te
weten maar er toch bij blijft. En kunt zeggen: ik weet het ook
niet, maar ik zal bij je blijven. Gehoord en gezien worden in je
diepste kern, dat is daar denk ik de essentie van.
Ik wil nog één verhaal voorlezen, voordat we gaan
pauzeren, over een meneer - om te laten zien hoe dat werkt - die
heel bang was. En dat voert dan meteen naar een van die andere
kinderen, die uit diezelfde moederschoot zijn ontstaan en dat is
CliniClowns. Daar ben ik ook voorzitter van geweest. Er zijn een
aantal organisaties uit voort gekomen, die voor mij gewoon de
volgende stap waren op dezelfde weg en die, tot mijn stomme
verbazing, nu nog allemaal bestaan.
Dit gaat over meneer Tjen, een Chinese meneer, in Indonesië
geboren, met een Nederlandse vrouw, in Indonesië getrouwd,
vlak na de Tweede Wereldoorlog. Hij hoorde er eigenlijk niet bij
als Chinees en hij had in de onafhankelijkheidsoorlog van
Indonesië wel meegedaan aan de Indonesische kant. En na die
oorlog, hij was al getrouwd, was hij anders geworden. Agressief en
kon hij zodanig opvliegen dat hij zijn kinderen ging slaan, zijn
vrouw ging slaan en op een gegeven moment zijn ze toen gescheiden.
Zijn vrouw is toen met de twee dochters naar Nederland gegaan. Ik
denk pas na de onafhankelijkheidsoorlog, zo eind jaren 50. Die
vrouw wilde helemaal niets meer met hem te maken hebben. Hij bleef
daar en toen kwam er in Indonesië nog een keer een
generaalscoup, Soekarno werd afgezet en toen moesten alle Chinezen
het land uit en toen is hij ook het land uitgezet. Hij kwam naar
Nederland toe, eigenlijk in zijn ogen het land van de vijand. Maar,
goed hij kon niet anders. In Indonesië werd hij niet meer
geaccepteerd en hier had hij nog een ex vrouw en kinderen zitten en
dat was kennelijk een mogelijkheid om naar Nederland te komen. Zijn
dochter had dat gehoord en die is hem gaan opzoeken, maar binnen de
kortste keren ging dat weer helemaal mis. Hij verweet haar dat ze
haar opvoeding ontrouw was, dat ze veel te Nederlands was geworden.
Grote ruzies en ze zagen elkaar niet meer. Jaren later en dan
hebben we het over eind jaren, 80, hoorde die dochter dat haar
vader in het ziekenhuis was opgenomen met kanker. En toen nam ze
zich voor om hem daar uit te halen en bij haar thuis te verzorgen
in de laatste fase van zijn leven. Ze woonde in een groot huis met
haar kinderen. Zij woonde in Nieuwkoop en zij had mij gevraagd of
ik haar vader wilde bijstaan in die laatste fase. Nu, dat wilde ik
wel en die vader kwam bij haar in huis en die woonde dus bij haar,
haar man en haar twee kinderen. Die kinderen hadden ieder een eigen
slaapkamer en moesten nu bij elkaar gaan liggen. Maar, binnen een
week ging dat weer mis. Hij maakte met iedereen ruzie. En daarbij
had hij - en daar kon niemand van het gezin tegen - nachtmerries.
Hij gilde de hele boel bij elkaar 's nachts. Dus toen vroeg ze aan
mij, ik wil hem wel blijven verzorgen, maar hij kan niet meer bij
thuis blijven, mijn kinderen worden er doodsbang van - zou hij bij
jullie in het Bijna Thuis Huis, wat we inmiddels hadden opgericht,
kunnen blijven. Dat hebben we toen gedaan.
En elke keer als je aan hem vroeg; wat gebeurd er eigenlijk
's-nachts in je nachtmerries, dan zij hij niets en draaide hij zich
om. Het duurde nog een week en nog vier angstige nachten voordat
hij besloot zijn verhaal te vertellen. Tijdens de
onafhankelijkheidsstrijd had hij bijzondere operaties uitgevoerd
met drie vrienden. Hij was vaak achter de linies van de vijand
geweest, heel gevaarlijk Ze waren daarbij regelmatig aan de dood
ontsnapt. De vier vrienden hadden elkaar door dik en dun trouw
gezworen. Gezworen elkaar nooit in de steek te laten. Zelfs hadden
ze elkaar gezworen, dat, als een van hen zodanig gewond zou raken,
dat hij achtergelaten moest worden, dat ze hem dan zouden
doodschieten, zodat de vijand hem niet levend in handen zou krijgen
en hem niet zou kunnen martelen etc., om de anderen te verraden. Op
een nacht waren ze er weer op uit getrokken voor een gevaarlijke
missie. Ze waren op een zware mijn gereden. Twee waren er op slag
dood geweest. Bij de derde was een been afgerukt. Hij zelf was door
een wonder ongedeerd gebleven, want hij was vlak voor het gebeurde
even uit de wagen gesprongen, om te plassen. Zijn vriend had gegild
van de pijn en had hem gesmeekt om hem dood te schieten. Maar, hij
had het niet gekund en was weggevlucht. Dat beeld kwam de laatste
tijd iedere nacht in zijn dromen terug. En herleefde hij zijn eigen
angst en zijn schaamte over het verraad aan zijn vriend. Hij durfde
niet meer te slapen en kon niet meer ontspannen. En doodgaan durfde
hij al helemaal niet, want er wachtte hem misschien een oordeel,
een afrekening. Hij hoorde niet bij een kerk en je wist maar nooit.
Hij was panisch na zo'n nachtmerrie, wat kon hij eraan doen? Kon ik
hem soms helpen? We hadden er vele gesprekken over. Over oorlogen
en vijanden, over boete doen en vergeving. Het was geweest zoals
het geweest was, het kon niet meer anders zijn. Hij kon alleen nog
maar vergeven.En er viel niets meer te straffen. Dat had hij al
ruimschoots zelf gedaan. Daar werd hij wel wat rustiger van, maar
zijn angst bleef. Zijn dochter was blijven mee helpen met de
verzorging en kwam dagelijks even langs, vaak met haar kinderen. Op
een middag vertelde hij ook aan haar zijn verhaal. En dat hij sinds
die tijd zo gauw woedeaanvallen had gehad. Hij vroeg haar of ze dat
nu een beetje kon begrijpen en later of ze hem wilde vergeven. Dat
bracht rust in huis, maar hoewel het minder was geworden, zijn
angstaanvallen bleven terugkomen.
Op een dag was er bij ons een bijzondere man te gast, een dokter,
maar vooral ook clown. En dat gebruikte hij om overal zijn ideaal
van echte menselijke hulp uit te dragen. Zijn naam was Patch Adams.
Er is een film over zijn leven gemaakt, met Robin Williams in de
hoofdrol, die is ook in Nederland geweest. Ik had hem enige tijd
daarvoor ontmoet en hij was een bron van inspiratie voor me
geworden. Dankzij hem gingen mijn ogen open voor de rol die humor
en kunst in de gezondheidszorg zouden kunnen spelen. M.a.w. ik ben
toen begonnen met het opstarten van CliniClowns. Patch was in
Nederland voor een aantal lezingen en workshops en logeerde een
paar dagen bij ons. Toen ik hem verteld had van ons Bijna Thuis
Huis, was hij zeer geïnteresseerd en hij wilde graag een keer
komen kijken. En zo gebeurde het dat op een middag terwijl meneer
Tjen bij ons woonde, met mij mee ging. Ik had aan meneer Tjen
verteld dat er een hele aardige idioot uit Amerika zou komen kijken
naar ons Huis. Een dokter, die ook clown was en als hij dat wilde
dan ik hem en Patch wel aan elkaar voorstellen. Nu, dat wilde
meneer Tjen wel en dus stapte die middag Patch Adams zijn kamer
binnen. Grijs haar en een vlecht tot halverwege zijn rug, hele
grote snor, een kleurige slappe baret op zijn hoofd en met voor hem
normaal, maar voor anderen wonderlijke kleren aan. Met allerlei
stiksels en lapjes erop, sandalen met twee verschillende kleuren
sokken aan. "My name is Patch sir, how do you do? And is there
anything I can do for you?" Meneer Tjen richtte zich verrast op en
antwoordde, na eerst even verbaast naar Patch gekeken te hebben,
spontaan: "My name is Tjen, please heal me." Er volgde een levendig
gesprek, waarin Patch uitlegde dat dat niet kon. Misschien was er
iets anders waar hij behulpzaam bij kon zijn. B.v of Tjen bang was,
want daar was hij heel goed in. "Shall I do something with your
fear sir?" "Yes, please." Toen werd Patch zijn alter ego. Hij
haalde zijn baret van zijn hoofd, deed hem binnenstebuiten. Er zat
een ritsje in en daar kwam een rode neus uit, die deed hij op en
vervolgens zette hij die omgekeerde baret weer op en deed ook zijn
jasje binnenstebuiten, deed zijn handen in de grote zakken ervan en
begon heftig schuddende bewegingen te maken. Hij had een andere
stem gekregen en maakte vreemde geluiden. "I am pulling your fear
out of you sir, but it is very difficult". Hij pakte de tenen van
meneer Tjen, kriebelde eraan, wreef erover, terwijl zijn andere
hand in zijn zak bleef en zijn jasje hevig bleef bewegen. "It is in
the tips of your toes, but I feel it is coming out now". En zo ging
dat gedurende enkele minuten verder, waarbij de lakens door de
kamer vlogen en Patch om het bed heen rende. Meneer Tjen leefde er
helemaal in mee en lag te stralen in zijn bed. Na afloop, toen de
rust was weergekeerd, moest Patch beloven dat hij weer terug zou
komen, als zijn andere werk in het land klaar was. En dat beloofde
hij. Als over drie weken zijn werk hier klaar was zou hij terug
komen voor nog een behandeling. Twee weken later overleed meneer
Tjen. Die twee weken waren anders geweest. Hij had weer kunnen
lachen. Hij had tegen iedereen die bij hem langs kwam, verteld over
Patch. Ook aan zijn kleinkinderen. Hij had samen met hen gelachen.
Zijn hoop was gevestigd op de belofte van Patch weer terug te
zullen komen. Hij hield zich daar-aan vast. Hij sliep even,
ontspande zich en toen ging hij dood.
Ik heb later met Patch - maar nu komen we aan de anekdotes en we
moeten aan de koffie - door de Daniel den Hoed kliniek gelopen en
door het Emma Kinderziekenhuis en daar ook situaties meegemaakt..
In eerste instantie - dat hadden we in de Daniel den Hoed kliniek,
stond een familie op de gang, moeder ging dood in een kamertje
daarnaast - die schrokken zich dood toen hij eraan kwam lopen. Wat
krijgen we nou? En hij ging daar heel goed mee om. En liep
vervolgens een andere kamer in. Daar zat een jong meisje van 17 met
leukemie, met haar vriend en binnen 5 minuten hoorden die mensen
wat er gebeurde en die raakten toch daardoor geïnteresseerd en
toen hij dus terug liep over de gang, nodigden ze hem zelf uit om
bij moeder te komen kijken. En dat deed hij ook zo liefdevol,
prachtig! En, dat heb ik hem met kinderen ook zien doen. Het is een
soort van in de magische wereld van het kind gaan en ze iets bieden
wat in het ziekenhuis niet voor de hand ligt, wat ze daar niet
zelden of niet krijgen kunnen. Dus het is inderdaad helend
geweest.
Ik heb een bakje met een paar vragen gekregen en ik zal ze
voorlezen:
1.Je moeder rende weg in stresssituaties. Toen je samen met je
vrouw afscheid nam van je kindje Nanne, wist je niet zo goed wat je
moest doen. Bij de assistentie van Kübler-Ross, schrok je van
iemand met een psychose. Na al die klysma's van Elisabeth en je
levens-ervaringen, hoe ervaar je nu de heftige emoties van de ander
en reageer je in wezen anders als toen je nog onkundig was.
Ja, ik denk het wel. En de essentie daarvan is dat ik het niet meer
hoef te regelen, te weten, op te lossen, maar dat ik wel geleerd
heb dat het helpt om er gewoon naar te luisteren en om er ruimte
voor de maken. Ik zal u vertellen dat wij uit deze benadering een
aantal trainingen, workshops ontwikkeld hebben en ook een model om
hier mee om te gaan. En dat ook over te dragen, aan mensen te
leren. En dat is het familiegesprek. Daar wil ik een paar dingen
over zeggen. Een familiegesprek houdt in, dat je in families de
communicatie op gang houdt - en dat kan n.a.v. een verjaardag zijn
- maar, ik heb het gedaan de laatste jaren dat ik in mijn
huisartsenpraktijk actief was, want daar ben ik 5 jaar geleden mee
opgehouden - in situaties dat iemand uit het ziekenhuis komt om
thuis te sterven . Dan was ik gewend om een huisvisite te doen en
dan vroeg ik aan de familie, of aan de mensen waar het om ging, of
ze de familie bij elkaar wilden roepen, omdat ik graag met de
mensen die hier met elkaar mee te maken zouden krijgen - wat nu
ging gebeuren, de laatste levensfase - dat ik daar graag een keer
mee samen kwam om hen te vertellen wat er nu precies aan de hand
was. Vaak ook is de communicatie slecht en denkt de ene helft van
de familie dit en de andere helft van de familie dat. Dus ik nam
altijd bij zo'n bijeenkomst de laatste brief mee en die vertaalde
ik dan in gewoon Nederlands en legde uit wat de situatie was waar
we mee te maken hadden en dan deden we het volgende: dan vroeg ik
aan degene die ging sterven, die naar huis kwam om dood te gaan,
nog 1 keer kort te vertellen hoe het gegaan was, zodat iedereen nog
eens helemaal dat verhaal hoorde - en daar is echt niet meer dan
een minuut of 5 voor nodig, dat kan je in korte tijd zeggen - en
dan eindigde dat met de vraag: Waar maakt u zich zorgen over? Dat
is een open vraag, waar iedereen op zijn/haar eigen manier kan
antwoorden. Meestal geeft degene die het betreft een tactisch
antwoord: waar ik mij zorgen om maak is wie zorgt er straks voor de
financiën, als ik er niet meer ben? En dan zat je in een volle
kamer met kinderen, ouders, aangetrouwd. En ik heb nu het beeld van
een man voor me die dood ging en zijn vrouw zat er naast en die
sprong daar meteen op in zo van: "nee, dat komt wel goed, we hebben
het allemaal al geregeld". En dan vroeg ik: "Waar maakt u zich
zorgen over?" En die vraag herhaalde ik dan iedere keer en vooraf
was de afspraak gemaakt dat zij elkaar niet inde rede mochten
vallen. Dus, het ging niet om discussies, het ging erom dat
iedereen de gelegenheid had om te zeggen wat hij/zij zeggen wilde
en dat ik dat ook echt zou bewaken. En als iemand ging reageren op
een ander dan - zei ik - zou ik het stoppen. Dat was de enige
regel. Kinderen waren welkom, ook kleine kinderen. En in zo'n
rondje wat je dan maakt, komt dan eigenlijk alles aan de orde. Men
vindt het hinderlijk om hetzelfde te zeggen als de voorganger, dus
daar komt dan iets persoonlijks bij en geleidelijk aan lokt het
één het ander uit. De kinderen daarbij zijn vaak heel
direct en kunnen zeggen: "Ik vind het een rotstreek dat opa dood
gaat", en daarmee ook de anderen helpen hun emoties daarover te
voelen. Het risico wat er - dacht ik in het begin - aan vast zat,
is, dat er ook dingen verteld kunnen worden die heel ingewikkeld
liggen. B.v. incest, of andere familiegeheimen en die nu vader toch
dood gaat, nog even gezegd worden. Mijn ervaring daarmee is, want
dat gebeurde, dat door het strak in de hand te houden en te
voorkomen dat iemand reageerde, dat het kon. Dan is het wonderlijke
dat je je realiseert - ook achteraf, want waarom lucht dat nou op
dat dat verhaal verteld is - dat iedereen zo'n verhaal bij zich
draagt en dat iedereen het weet. En doordat het benoemd is, kan het
gedeeld worden. En als het niet benoemd is, loopt iedereen op zijn
tenen en wordt het ingewikkeld: als ze nu maar niet
dààr over beginnen. Als dat eenmaal gedaan is, dat
hem ik een aantal keren meegemaakt, dan kan daarna de communicatie
veel simpeler en beter plaatsvinden en wisten ze mij ook veel
gemakkelijker te benaderen om dingen nog es daarover te willen
zeggen. Familiegesprek. Het is het beginsel van de talking stick,
dat is een Indiaans gebruik. Bij grote vergaderingen ging er een
stok rond, de talking stick en alleen diegene die de stok vast had,
mocht iets zeggen. En de voorwaarde was dat het de waarheid moest
zijn. De anderen mochten niet in de reden vallen. Het enige wat je
mocht doen was Ho zeggen, dat betekende ja, dat vind ik ook. Dus
dat gebeurde dan, maar verder niet. Ik heb het een keer met 200
mensen gedaan en het is werkelijk wonderbaarlijk, wat er dan
gebeurt. En daar is uit voortgekomen het principe van de
vrijplaatsen. Ik heb aan huis 1 x per 6 weken een groep van 10
mensen die allemaal die training hebben meegemaakt waar we dat
regelmatig deden. Ze komen om half 8 binnen, om kwart voor 8
beginnen we met de eerste talking stick en we doen twee rondes,
twee keer rond. Ze weten hoe het werkt en ze weten dat dit hun de
gelegenheid geeft om dingen onder woorden te brengen, die ze vaak
elders moeilijk onder woorden brengen, dat er niemand in de rede
zal vallen en dat is een veiligheid die in onze maatschappij weinig
voorkomt en die heel erg helend is. Ik ben daardoor anders gaan
kijken naar de Bijbeltekst: In den beginne was het woord. Ik denk
dat het woord, het uitgesproken woord, het benoemen van iets, het
mogelijk maken om iets te delen, heel belangrijk is. Als je iets
kunt delen, kun je geleidelijk aan ook met elkaar gaan samenwerken
en iets tot stand brengen. Als je het in je hoofd laat rondzoemen
en er eigenlijk niets mee doet, omdat het te zwaar, te moeilijk is,
ja dan gebeurt er ook niets. Het samen delen is het antwoord op
eenzaamheid. En daar wordt geen flauwekul verteld. Zo van, ik ben
gaan fietsen en het was zulk mooi weer, dat kun je met de buurvrouw
delen, maar het gaat om dingen die je werkelijk geraakt hebben in
die zes weken. Er is altijd meer dan je je gewoon dagelijks
realiseert. Want, door naar elkaar te luisteren - en dat is ook zo
iets wonderlijks - hoor en zie je niet alleen de ander, maar je
gaat ook je eigen dingen weer langs en je voelt waar je zelf nog
mee rondloopt. En dat hoeft niet zo spectaculair te zijn, maar het
is vaak zeer ontroerend. Eens in de zes weken is het
ontroerend.
2. Ik was als kind als de dood voor de dood. Ik heb zelfs een
rouwstoet voor mijn slaapkamer-raam zien komen met dragers en een
lijkkist. Maar op een gegeven moment kwam er ruimte en acceptatie.
Nu werk ik in de zorg. En de vraag moet U zelf bedenken.
Dit doet mij denken aan een zin die ik tegen kwam, die mij geweldig
geholpen heeft. Want, ik was natuurlijk ook zo'n dokter die het
antwoord moest weten. Ik zal het lezen in Engels en daarna in het
Nederlands. Het is eigenlijk oorspronkelijk in het Duits
geschreven, maar ik heb de Engelse vertaling ervan gelezen. Het is
van Rainer Maria Rilke, dichter, poëet, filosoof, van 100 jaar
geleden. Het is een prachtig boekje van citaten: Rilke, On love and
other difficulties. En het gaat over dit stukje: Be patient to all
that is unsolved in your heart. Try to love the questions
themselves, like locked rooms, like books that are written in a
very foreign tongue. Do not seek the answers, which cannot be given
you, for you will not be able to live them. The point is to live
everything. Live the questions now. Perhaps you will then gradually
without noticing it, live along some distant day into the answer.
Resolve to be always beginning. Wees geduldig met alles wat
onopgelost is in je hart. En probeer de vragen zelf lief te hebben
alsof het gesloten kamers zijn of boeken die in een totaal vreemde
taal geschreven zijn. Ga niet op zoek naar de antwoorden die je
niet gegeven kunnen worden, want je zou niet in staat zijn om ze te
leven. En daar gaat het om, alles te kunnen leven. Leef de vragen
op dit moment. Misschien zul je ooit, zonder het te merken, op een
dag ver in de toekomst, het antwoord binnen leven. Besluit om
altijd opnieuw te beginnen, om een beginner te zijn.
3. Heel bijzonder hoe u de cyclus van ervaren, bewustwording in
het leven beschrijft. Niets is toeval voor mij, maar leidt tot
groei. Door eenzaamheid rijk worden. Al met een voorbestemd doel
weer in een volgend leven stappen. Hoe ervaart u dit?
Daar raken we aan het spirituele aspect van ons leven. Ik geloof
daar zeer in, maar ik hoor nergens mee bij. Ik ben ooit Protestant
opgevoed, maar ik ben de kerk uitgegaan omdat ik vond dat wat daar
als Goddelijk werd aangereikt, meestal die kwaliteit niet had. In
ieder geval ben ik geleidelijk aan wel weer op zoek gegaan, o.a.
ook door het verlies van ons zoontje. Ik ben echt op zoek gegaan.
Ik ben naar allerlei tradities gaan kijken. Op dit moment spreekt
het Boeddhisme mij het meeste aan. Dat kent geen God, maar is wel
zeer bezig met het lijden. Maar, ook in de Christelijke traditie
zijn nog veel dingen die me diep raken. Neem alleen maar de
Mattheüspassion met Pasen. Ik zal zelf nooit daar proberen de
waarheid over te vertellen, want ik geloof dat de waarheid niet
iets is wat in woorden gevat kan worden. Dat gaat aan onze dimensie
voorbij. En op dit moment en in de geschiedenis zijn er veel
voorbeelden van, als we dat doen en daar regels uit destilleren,
dan kunnen er de vreselijkste oorlogen ontstaan. Dus ik doe daar
niet meer aan mee.
4. Het is een diepe wens van mij om mensen te begeleiden in de
laatste levensfase, maar hoe vind ik de juiste cursus?
Het boekje, Doodgewoon helpen gaat daarover, vrijwilligers in de
palliatieve zorg. Toen ik mijn huisartsenpraktijk 1 oktober 2001
beëindigde, was net in september dat gedoe in Amerika geweest,
9/11. En ik kreeg toen een bedrag aan geld van een bepaalde club en
daar moest ik iets mee doen. Daar heb ik een tijdje mee rondgelopen
en toen heb ik met vrienden een stichting opgericht: "Prijs de
vrijwilliger". Want, ik had het gevoel dat wat vrijwilligers doen
met hart en ziel, zonder daar een beloning in materiële zin
voor te willen ontvangen, bijdragen aan onze maatschappij. Dat
vertegenwoordigt de andere kant van de balans van hetgeen
terroristen met ons doen. Dus, ik had het gevoel als ik dat in
relatie zie, dan is dat graag waar ik de aandacht naar toe wil
trekken.
Het idee was dat we een stichting "Prijs de Vrijwilliger" zouden
opzetten. Niet, om de beste vrijwilliger van het jaar te kiezen,
want dan krijg je dat stuk er weer in. Het moest helemaal niet gaan
over competitie, maar wel om het gegeven als zodanig te belichten.
En dan vrijwilligers in het algemeen, ook die van de voetbalclub.
Alleen kan je dan het beste focussen op één soort
vrijwilliger. En zo is er nu een ritme ontstaan, hopen we, dat eens
in de twee jaar een groep vrijwilligers in het zonnetje wordt
gezet. De eerste keer kozen we, omdat we daar allemaal banden mee
hadden, voor de vrijwilligers in de terminale zorg. En dat zijn er
overigens 7000 in Nederland, dat is niet niks. Er zijn inmiddels
iets van 200 lokale groepen, iets van 65 Bijna Thuis Huizen, dus
echt over het hele land beschikbaar, maar dan toch denk ik dat het
zeer de moeite waard is om mensen die daar nog niet mee te maken
hebben gehad daar eens iets over te vertellen. En toen hebben we
bedacht, laten we eens aan het veld vragen om ons namen aan te
reiken van mensen waarvan zij zelf vinden dat die het verhaal goed
kunnen vertellen. En zo kregen we 50 namen aangereikt. Toen hebben
we een goede journalist gevraagd om die mensen op te bellen en een
uur met ze aan de telefoon te gaan praten over hun achtergrond en
daar dan een A-viertje van te maken. Uit die A-viertjes hebben we,
als bestuur van die club, er 23 uitgekozen, die we vervolgens aan
een jury hebben voorgelegd, met de vraag om te kijken wat hen het
meeste aansprak en daar 5 uit te kiezen. De jury bestond uit: Els
Borst, de voormalig minister, Ria Bremer en Kees Brusse, acteur en
twee mensen van ons. Die hebben toen 5 mensen unaniem gekozen. Die
5 zijn thuis opgezocht en hebben in geuren en kleuren hun eigen
verbinding met de terminale zorg en hoe ze er toe gekomen waren,
kunnen vertellen. En die 5 verhalen zijn in dit boekje gekomen, met
een portretfoto en verder hebben we daarin uitgelegd hoe het werkt.
Welke organisaties er zijn die zich op dit terrein begeven. Zowat
alle informatie die ik kon verzinnen die daarover ging en die ik
van hen kreeg aangereikt staat er in. Huub Oosterhuis heeft voor
die gelegenheid een prachtig gedicht gemaakt en misschien is er
straks nog tijd om dat voor te lezen. Dus daar staat het allemaal
in. Of de organisatie V.P.T.Z., www.vptz.nl, dat is vrijwilligers
palliatieve terminale zorg. Die hebben een steunpunt in Bunnik, die
coördineert de zorg en die weten van alles wat er in Nederland
gebeurd, af. Zoals het tot nu toe altijd was, krijgen vrijwilligers
die zich daar melden, vanuit de organisatie een cursus aangeboden.
Twee x drie dagen was het altijd. En in die cursus, staat de eerste
dagen vooral hun eigen ervaringen met verlies centraal. En dat is
met opzet gedaan, want terminale zorg is geen trucje, het staat
niet in een boek. Het gaat om mensen en daarmee neem je je eigen
verhaal mee. En door die verhalen van jezelf te delen met anderen,
ga je ook ervaren hoe verschillend het is en hoe belangrijk het is
dat daar ruimte aan gegeven wordt. En dat je je jasje van: nou
weten wij hoe het moet, bij voorbaat niet aan trekt. En dan is er
verder ondersteuning vanuit de wijkverpleging en vanuit alle zorg
die nodig is. Maar, het dagelijkse werk aan het bed wordt door
vrijwilligers gedaan. Daarin zijn wij in Nederland uniek. In de
wereld gebeurt dit verder nergens. Daar zijn de vrijwilligers over
het algemeen nog, zoals dat bij ons in de ziekenhuizen vroeger was:
UVV-ondersteuners, de verplegers in de zin van bloemetjes en
boekjes en rondrijden met de rolstoel. Maar, onze vrijwilligers
krijgen vanuit de wijkverpleging een cursus "Ziekenverzorging
Thuis", waarbij ze leren iemand op bed te wassen, op de po te
helpen en om te draaien zonder hen pijn te doen. En dat kun je
gewoon leren, dat zijn simpele dingen. Dat blijft gebeuren onder
supervisie van de wijkverpleging die dan ook regelmatig langs komt.
Je wordt als het ware extra familieleden, want familieleden doen
dat ook voor hun zieke kinderen, ouders etc. De club heeft bewezen
de afgelopen jaren dat het heel goed is en werkt.
Bij de start van het eerste huis in Nieuwkoop, dat was in 1986,
toen we daarmee naar buiten kwamen, toen moest er behalve een groep
vrijwilligers ook een huis komen. En dat moest dan midden in een
woonwijk komen. Toen dat begon door te siepelen in het dorp, kwamen
de reacties vrij snel op gang. Men vond dat doodeng en niet in onze
wijk. Dan kunnen onze kinderen niet meer buiten spelen en al die
stoeten door de wijk, je kan niet meer barbecuen met goed fatsoen
in de zomer. Dat soort dingen gingen ze zeggen. Maar toen dat
gebeurde en met name de buren die ernaast zouden komen wonen er een
heel probleem van maakte, realiseerde ik me dat we met deze
organisatie juist in het vaandel hadden om ruimte te maken voor de
individuele emoties van mensen en ik vond dat je die van de buren
niet kon overslaan. Dus, toen hebben we gezegd, terwijl het huis al
gekocht was en gebouwd zou worden: wij willen daar naar luisteren
en samen met de gemeente kijken naar een locatie die de mensen
acceptabel zouden vinden. En toen zijn er oplossingen bedacht, die
we van te voren niet hadden kunnen bedenken. Want, het zat niet in
de planning en ik was niet zo creatief dat ik met huizen kon
schuiven. Maar, toen moest er met huizen geschoven worden en
doordat ineens te kunnen doen, door dat strakke stramien van het
voorgelegde plan heen te mogen breken, hebben we nog een veel
mooiere plek gevonden, die uiteindelijk heel goed was. Maar,
inmiddels was duidelijk dat de mensen het eng vonden en mijn
assistente in de praktijk hoorde dat ook steeds terug. Dat was een
echte Nieuwkoopse, die hoorde die verhalen op verjaardagen. Toen
heb ik allerlei dingen bedacht om het gewoner te maken. En
één daarvan was dat we van de opening een feestje
gingen maken. D.w.z. een grote tent voor de deur, de fanfare kwam
langs, ballonnetjes gingen de lucht in. Een soort
Koninginnedagachtige sfeer, met drankjes en hapjes. Gesponsord,
door mensen die er inmiddels aan mee gingen doen. Maar, ze kwamen
bij elkaar om de tentoonstelling te bekijken. Dàt was de
drempelverlagende actie. Van kunstwerken van 25 kunstenaars uit
Nieuwkoop en omgeving over afscheid nemen en hun kunstwerken hadden
afgestaan aan het Huis voor deze tentoonstelling. Dat heeft heel
veel mensen over de drempel geholpen. Ineens konden ze in dat enge
Huis even rondkijken, alsof het alleen maar over de kunst ging.
Daardoor konden ze ook het verhaal horen, de mensen zien, die daar
rondliepen, begrijpen waar het over ging. We hebben toen zes weken
lang open huis gehouden. We hadden alle georganiseerde groepen in
Nieuwkoop uitgenodigd om met een afvaardiging te komen kijken. Dus,
daar kwam de biljartvereniging, de duivenfokvereniging, de
gemeenteraad en wie dan ook, kwamen daar met twee, drie mensen
kijken. Daardoor hebben we het verhaal herhaaldelijk verteld. Na
afloop van die zes weken hebben we een huis-aan-huis-collecte
gehouden en die bracht twee x zoveel op als er ooit eerder als
record in Nieuwkoop was opgehaald. Hiermee was ook bevestigd dat
het gelukt was, dat het Huis geland was en dat is eigenlijk zo
doorgegaan. En ik realiseerde me heel goed, dat dit soort
voorzieningen alleen een succes zijn als mensen zich er werkelijk
voor open stellen en er aan mee doen. We hebben ook gemerkt dat dat
niet vanzelf ging, omdat het daarna 10 jaar geduurd heeft - binnen
een jaar kwam er een tweede Huis in Haarlem, dat was van dezelfde
mensen van de club waar ik ook bij hoorde - en na vijf jaar kwam er
een Huis in Brummen - maar verder niet. Twee keer in de maand
hadden we open huis op zaterdag, daar konden mensen zomaar langs
komen om te kijken wat we aan het doen waren. Er was ook veel
belangstelling van de media, zelfs de Japanse televisie. Van alles
en nog wat, want het was een uniek model: vrijwilligers die deze
zorg aanbieden. Daarbij kwamen ook de geijkte vragen, want wij
zeiden altijd: het is bedoeld voor als het thuis echt niet langer
gaat. Als je thuis vastloopt. In die gevallen dat iemand terminaal
is en het duurt maar en het duurt maar. En de centrale
hulpverleners thuis, de familieleden knappen erop af, kunnen niet
meer slapen, etc. Nu, in die gevallen had ik regelmatig meegemaakt
dat mensen alsnog naar het ziekenhuis moesten, dat de familie het
gewoon niet vol hield. Door zo'n huis te hebben, kun je met
diegenen die het nog wel vol kunnen houden, gewoon een blok
verderop, met dat clubje doorgaan in dezelfde sfeer en hoef je niet
in een hele andere sfeer te gaan zitten. Die kunstcollectie zijn we
toen gaan uitbreiden, daar hebben we kaarten van gemaakt,
wens-kaarten. De mensen hebben het allemaal gegeven. Eerst was het
in bruikleen. Maar, toen ze zagen wat voor effect het had, hebben
al die 25 kunstenaars hun werk aan ons gegeven en zijn we daar
verder mee gaan bouwen. Daar hebben we kaarten van gemaakt, die
jaarlijks in de week voor onze collecte, in de winkels in de buurt
lagen. Dan konden mensen alvast die kaarten kopen. Met de Kerst
stonden we er ook. Toen er een tweede Huis werd opgericht, hebben
we delen van onze collectie daar opgehangen. Kunstenaars uit die
omgeving zijn er ook mee begonnen dingen te geven en dat is nu zo'n
beetje door de hele hospicebeweging een gebeurtenis geworden. Dat
idee was bij mij opgekomen doordat ik in Amerika, in de aanloop
door al dit soort dingen, op een hele bijzondere afdeling in een
ziekenhuis in San Francisco was geweest. Daar kwam ik op een
ziekenhuisafdeling, nou je geloofde je ogen niet. Roestvrijstalen
deuren gingen open en ik stond in een huiskamerachtige omgeving,
met vloerbedekking, met allemaal hout, lampen, kleur. Die hadden
allerlei principes hoe je het voor de mensen minder onveilig kon
maken, zo'n ziekenhuisafdeling. Die hadden o.a. als mogelijkheid,
dat als je daar werd opgenomen, dan kwam er een art-car langs, een
kunstkar. Dan kon je zelf uitkiezen wat je aan de muur wilde hebben
in die kamer. Dat soort dingen, waarmee je je eigen sfeer kon
maken. Ik denk dat wij nog veel te weinig van dit soort
mogelijkheden gebruik maken. We zijn veel te veel op efficiency en
steriliteit gericht en daarmee doen we onszelf en de patiënten
tekort mee.
Ik ga nog iets voorlezen wat ik graag wil voorlezen. Dit gaat over
die vrijplaatsen. Dit heb ik ooit eens geschreven en is opgenomen
in een boekje dat is samengesteld door Prinses Irene, die erg met
de natuur bezig is en dat boekje heette:
De natuur zijn wij.
De natuur in al zijn vormen en in alle tijden weerspiegeld onze
gebondenheid met alles om ons heen. Alles is één, wij
zijn allen één. Om dit volledig te kunnen ervaren,
moeten we ons veilig voelen. We hebben een haven nodig, een
toevluchtsoort, waar alles mag zijn zoals het is en waar we samen
kunnen komen. Het meest nabije toevluchtsoort kunnen we in onszelf
creëren, waar licht en donker elkaar kunnen ontmoeten. Waar
liefdevolle aandacht en vergeving aanwezig zijn. Waar geen oordeel
is. Een plek waar heling kan plaatsvinden. Vandaar uit kunnen we de
brug naar de wereld oversteken en verbinding maken met andere
toevluchtsoorden. Plaatsen waar mensen werkelijk samen kunnen
delen. Er is niet veel nodig om deze plaatsen te vinden. We kunnen
er immers zelf de scheppers van zijn. We hoeven er alleen maar onze
aandacht aan te geven en het volgende te doen: nodig wat mensen uit
in een kring. Geef aandacht aan datgene wat om erkenning vraagt.
Deel met elkaar wat we vinden in het duister van onze eigen ziel.
Geef het woorden en laat het los, zonder tussenbeide te komen,
zonder te oordelen. Op deze manier kunnen we de liefdevolle
getuigenis zijn van elkaars genezing, een herverbinding met het
leven, met de natuur. Creëer deze plaats mijn lief. Je hebt de
last van je afgescheidenheid al te lang gedragen. Laat dat oude
beeld los., Vergeef en rust met je verbondenheid in alles. Wees
stil en weet dat je deel uit maakt hiervan.
Ik heb nog een tekst. Die heb ik gekregen van ouders waarvan een
kind overleed. Ze hebben het zelf samengesteld en bij de begrafenis
uitgedeeld en iemand anders heeft het voor me meegenomen. Ik heb
toen gevraagd of ik dat ook mocht gebruiken in lezingen en dat
vonden ze goed.
Voor de kinderen die stierven voor hun tijd.
Even geproefd van het leven en dan weg als een blad van een
boom. Voor de kinderen die stierven. Overal. Oorlog, rampen,
hongersnood. Hun namen lees je nergens. Je kunt het niet begrijpen
en je hoopt dat geen enkele naam verloren gaat. Voor de jongeren
die stierven vòòr hun tijd. Geniet maar als je jong
bent zeggen de mensen, want later kan het misschien niet meer. En
ineens is er dan geen later meer. Voor jou, voor wie het om je
eigen kind gaat. Iedereen leeft met je mee, maar de pijn draag jij
alleen. En je hoopt dat geen enkele naam verloren gaat. Voor de man
en de vrouw die stierven voor hun tijd. Een koud bericht dat alles
anders maakt. Met z'n tweeën verandert in alleen. Je komt er
wel doorheen zeggen de mensen, maar er klinkt twijfel in hun stem
en mensen vergeten zo vlug. En je hoopt dat geen enkele naam
verloren gaat. Voor de oude man en de oude vrouw. Het is altijd te
vroeg. Maar, eens komt de dood. Mensen zeggen, wie oud is kan er
beter tegen, die is niet meer zo bang. Maar jij weet wel beter. En
je hoopt dat ook oude namen niet verloren gaan. Voor allen die
achter bleven in een omgeving waar iemand stierf. Blijf geloven dat
het kan. Dat wanhoop hoop wordt. Herfst, lente. Dood, een nieuw
begin. Niemand weet wat leven is. Alleen dat het gegeven is. Van
vuilnisbelt tot gouden kroon, aan vluchteling en koningszoon. Wie
leeft die maakt zijn eigen lied. En wie niet leeft, verstaat het
niet.
Ik wilde nog het gedicht van Huub Oosterhuis voorlezen. Het
heet:
Iemand Meer.
Wat zou je, vouw je armen onder je hoofd, kijk de afgrond in die
Hemel heet. Zie de gesternten, hun gigantische figuren. Wou je
beweren dat onder het tijdloze bewind van Maagden en Weegschalen,
Schorpioenen en Dioscuren, hier op aarde ook maar iets er toe doet?
Wat is een mens? Wat zou je? Ik ben eens voor goed dit
onverwisselbare mensenkind. Dit enig leven, hoor ik je denken. Zie
ik je geloven. Of ben je om het even de zes miljard anderen, die
ook maar als lichtstraaltjes flitsen en uitdoven.Wat zou je? Wat
zou je anders dan een beetje drinken, klinken, lachen en omhelzen?
Je zwarte uren zo gauw mogelijk vergeten. Je zegeningen tellen. En
zonder zelfbeklag je realiseren dat het voorbij zal zijn, voor je
het weet.
Je schuimt langs boulevards, je schimpt in winkelruiten, ziet je
staan in etalages, naakte pop. Je haalt je schouders op, je vouwt
je op, probeert te slapen. Wat zou je anders? Wat zou je? Je werd
wakker midden in de wereld, "deze". Iemand riep me, dacht je in je
dromen en werd wakker. Het is deze dag die vandaag heet, die ook
morgen vandaag heet en overmorgen. Wie ga je zijn? Wat ga je doen
en laten? Overmorgen, morgen, vandaag. De wereld, deze is een
schreeuwend kraambed, een verwilderde tuin, waarin gedood wordt en
gestorven. Geen schorpioenen verklaren, geen maagden verzachten,
geen weegschalen wegen, het leed dat afgronddiep wordt geleden.
Maar, jij hebt handen die verzachten kunnen. Opklarende ogen.
Sterven zal je ooit. Maar vandaag en God weet morgen, kun je leven.
Doen, zien, er voor iemand zijn misschien. En het verschil maken
toch tussen onverwisselbaar uniek en om het even. Tussen dood en
leven.
Wel thuis en bedankt voor je belangstelling.
***
********************
***
Verzorging verslag:
Joke van Roon
|